U bent hier

Column Douwe Jan Elzinga: digitaal vergaderen en stemmen: noodgreep of uitdaging?

Douwe Jan Elzinga, hoogleraar staatsrecht, geeft in zijn columns een blik op het lokaal bestuur. Zijn vijfde column gaat over de effecten van het digitaal vergaderen.

De komende weken zullen vele volksvertegenwoordigingen ervaring op gaan doen met het digitaal vergaderen en stemmen. Nu de Tijdelijke wet Digitale Beraadslaging en Besluitvorming is ingevoerd moet binnen een zeer kort tijdsbestek worden bezien welke mogelijkheden en onmogelijkheden er zijn. BZK heeft een zogenaamde Evaluatie ex durante ingesteld, waarbij reeds tijdens het gebruik wordt bekeken of er technische aanpassingen nodig zijn, welke effecten zich voordoen en of er in juridisch en staatsrechtelijk opzicht knelpunten zijn die nu of later om een oplossing vragen. En uiteindelijk wordt natuurlijk ook het oordeel geveld of deze wijze van vergaderen en stemmen na het Corona-tijdperk nog een toepassingsbereik kan hebben.

Samen met collega Geerten Boogaard uit Leiden neem ik de meer staatsrechtelijke beoordeling voor mijn rekening. Klaartje Peeters inventariseert de praktijk en kijkt naar de effecten op de politiek-bestuurlijke besluitvorming en Bibi van den Berg kijkt vooral naar de betrouwbaarheid (waaronder de veiligheid en robuustheid) van de gebruikte voorzieningen en procedures. De Tijdelijke wet heeft een facultatief karakter. Gemeenteraden en andere volksvertegenwoordigingen worden niet verplicht om digitaal te gaan. Afhankelijk van de omstandigheden kan worden besloten om hier wel of geen gebruik van te maken. Als binnenkort bijvoorbeeld in delen van het land de ‘lock down’ gedeeltelijk wordt opgeheven, dan zou het heel goed kunnen zijn dat het fysiek vergaderen al weer vrij snel uitgebreid kan worden, bijvoorbeeld in kleinere verbanden, zoals commissies. Om die reden is het een goed uitgangspunt van de Tijdelijke wet dat hier een vergaande differentiatie mogelijk is en het toepassingsbereik aan de autonomie van de verschillende besturen wordt overgelaten.

Bijzondere omstandigheden leiden vaak tot doorbraken

Onder omstandigheden heeft die autonomie ook wel weer beperkingen omdat met toepassing van de Tijdelijke wet ook figuren toepassing kunnen vinden die minder wenselijk zijn of strijdig met andere staatsrechtelijke grondslagen. De vraag kan bijvoorbeeld rijzen of er ook bepaalde mixvormen mogelijk zijn. Kan bijvoorbeeld worden besloten dat enkele raadsleden fysiek in de reguliere raadsververgadering aanwezig zijn - bijvoorbeeld de fractievoorzitters - terwijl de andere raadsleden, om het gezelschap klein te houden, aan beraadslaging en stemming mee moeten doen via de digitale route. Dit gaat veel verder dan de quorumregeling die nu wel wordt toegepast en dan doemt een bezwaar op omdat er principieel ongelijke posities worden gecreëerd. In het algemene wettelijke stelsel is het fysiek vergaderen het meerdere en het digitaal vergaderen het mindere. In die zin is de Tijdelijke wet een duidelijke uitzondering op de regel en dan lijkt het voor de hand te liggen dat bij de reguliere vergadering van de gemeenteraad geen mix wordt toegepast van fysiek en digitaal vergaderen.

Het is belangrijk om het digitaal beraadslagen en vergaderen niet alleen te bekijken als een noodgreep of een vorm van terugval. Door de bijzondere Corona-omstandigheden is er ook een bijzondere uitdaging en dan zou het zo maar kunnen dat een aantal verouderde grondslagen en uitgangspunten op drift raakt en wordt aangepast. Ook in het onderwijs blijkt nu al dat de digitale educatie een enorme ‘boost’ zal gaan geven voor vernieuwde onderwijsvormen. De toepassing van de Tijdelijke wet in de komende maanden zou een vergelijkbare ‘boost’ kunnen geven voor digitale vernieuwingen in het proces van politieke besluitvorming. Het fysiek vergaderen zal zonder twijfel weer terug moeten keren, maar op allerlei onderdelen zal worden geëxperimenteerd en dan zal blijken dat bijzondere omstandigheden vaak leiden tot onverwachte doorbraken. Een heel aardig voorbeeld daarvan is bijvoorbeeld de informatievoorziening aan volksvertegenwoordigers.

Een zeer hardnekkige praktijk is dat menig politiek of besluitvormend debat in de reguliere raads-, staten-, of vergadering van het algemeen bestuur van een waterschap bestaat uit het opvragen van feiten en informatie, met als gevolg dat het uitwisselen van standpunten met regelmaat ernstig in het gedrang komt omdat die standpunten er niet of nog niet zijn. Wezenskenmerk van een goed politiek debat is dat van tevoren alle informatie is gegeven en vervolgens op die basis het debat plaats vindt waarin politieke standpunten worden gewisseld. Verschillende gemeenten en een enkele provincie zijn er nu toe overgegaan om een schriftelijke (digitale) informatievoorziening te creëren die lijkt op de nationale (voorlopig verslag, memorie van antwoord etc. ) Wat lange tijd niet kon, raakt nu ineens in een stroomversnelling en zo zal het op andere onderdelen mogelijk ook gaan.

Douwe Jan Elzinga is hoogleraar Constitutioneel Organisatierecht aan de RU-Groningen.