U bent hier

Raad bepaalt kaders voor religieuze instellingen binnen de gemeentegrens

De gemeenteraad heeft de bevoegdheid om kaders te stellen voor de wijze waarop godsdienstige of levensbeschouwelijke instellingen in de gemeente zich in de openbare ruimte manifesteren. Een nieuwe handreiking van de VNG helpt raadsleden bij het juist interpreteren en toepassen van die bevoegdheden.

⇒ Download hier de handreiking Tweeluik religie en publiek domein

Nederland kent al lange tijd godsdienstvrijheid. Deze vrijheid is echter beperkt wanneer de openbare orde in het geding is. Wat openbare orde precies inhoudt en wanneer deze in het geding is, is aan de raad om te bepalen.

Bij kerken en moskeeën steekt geregeld de discussie op welk geluidsniveau de klokken of de vocale gebedsoproep mag hebben. De raad is bevoegd om hier regels aan te stellen, mits daarbij niet de beperking wordt opgelegd dat het genormeerde geluidsniveau nog slechts ‘illusior’ is of onnodig beperkt is1.

Voorafgaande melding

De gemeenteraad is ook bevoegd om regels te stellen voor bijeenkomsten van godsdienstige of levensbeschouwelijke instellingen op openbare plaatsen. Daarbij kan de raad eisen dat dit pas mag plaatsvinden als er vooraf een melding is gedaan2. Dit doet de raad met een plaatselijke verordening.

De burgemeester is bevoegd om bijeenkomst van een religieuze instelling te beëindigen. Dit is echter alleen toegestaan ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Handreiking

De nieuwe handreiking Tweeluik religie en publiek domein: handvatten voor gemeenten over de scheiding tussen kerk en staat geeft juridische kaders en praktijkvoorbeelden die gemeenten helpen om bijvoorbeeld een vraagstuk over subsidieverlening, veiligheid of leegstand te beantwoorden. De lokale context en gemeentelijke autonomie staan daarbij centraal.

 

1 ABRvS, 13 juli 2011, 201011441/1/H3; Zie ook: EHRM 16 oktober 2012 (nr. 2158/12) en ARRS, 27 oktober 1994.

2 Wet openbare manifestaties, Artikel 3