U bent hier

Raadsleden hebben grip noch invloed op regionale samenwerking

DEN HAAG – Raadsleden zijn ontevreden over de mogelijkheden om regionale besluitvorming te beïnvloeden. Zij beschouwen het toenemend aantal gemeenschappelijke regelingen als een bedreiging voor de lokale democratie. De ontevredenheid en zorg uit zich in de wens van raadsleden om in te kunnen grijpen. De populaire voorkeursinstrumenten zijn daarbij: besluiten ongeldig kunnen verklaren en deelname aan regionale samenwerking beëindigen.

⇒ Download

Het vertrouwen van raadsleden in wethouders en burgemeesters die de belangen in de regio moeten verdedigen is niet erg groot. Slechts een derde deel van de raadsleden heeft er vertrouwen in dat de lokale bestuurders in de regio bekwaam zijn om de belangen te verdedigen. Een meerderheid van de raadsleden denkt dat met verplichte jaarlijkse verantwoordingsbijeenkomsten de controle en invloed versterkt kan worden.

Dit zijn de belangrijkste uitkomsten uit het landelijk raadsledenonderzoek “Raad & Regionale Samenwerking 2017), dat Overheid in Nederland in opdracht van Nederlandse Vereniging voor Raadsleden, heeft uitgevoerd onder raadsleden. Vier jaar gelden werd een gelijksoortig raadsledenonderzoek gehouden. De mate van invloed en controle op regionale samenwerking door raadsleden wordt als even bedreigend en gebrekkig ervaren als in 2013. Dat is opvallend omdat in de afgelopen vier jaar vanwege de overheveling van taken voor (jeugd)zorg, participatie en ondersteuning (het sociaal domein) door gemeenten veel is gedaan om raadsleden beter in positie te brengen. De uitkomsten van het onderzoek worden vandaag op een bijeenkomst van Raadslid.Nu, Nederlandse Vereniging voor Raadsleden, in Dordrecht gepresenteerd.

Extra instrumenten voor controle

In het regeerakkoord van het nieuwe kabinet is gesuggereerd dat gemeenteraden extra instrumenten zouden moeten krijgen om zo nodig te kunnen ingrijpen om de politieke verantwoording te verbeteren. Twee middelen schieten er daarbij voor raadsleden bovenuit: 54 procent van de raadsleden wil de mogelijkheid hebben om besluiten ongeldig te kunnen verklaren. En 47 procent van de raadsleden wil de mogelijkheid om deelname aan samenwerking te kunnen beëindigen. Daarnaast vindt  een derde deel (33 procent) van de raadsleden dat er de mogelijkheid moet zijn om de verantwoordelijk bestuurder te schorsen. Een kwart (24 procent) wil graag de verantwoordelijke directie uit zijn functie kunnen zetten.

Samenwerking en herindeling

Herindeling als alternatief voor regionale samenwerking is voor 48 procent van de raadsleden een instrument dat zij liever niet zien gebeuren. Bij raadsleden uit kleinere gemeenten ligt dit percentage hoger (52 procent bij gemeenten <50.000 inwoners). Toch geeft 52 procent van de raadsleden in gemeenten met minder dan 25 duizend inwoners aan dat gemeentelijke herindeling op den duur onvermijdelijk is. Opvallend is dat slechts 33 procent van de raadsleden uit gemeenten met 25.000-50.000 inwoners van mening is dat op termijn herindeling van hun gemeente onvermijdelijk is.

Sociaal domein, milieu en duurzaamheid

Raadsleden (70 procent) vinden gemeenschappelijke regelingen op sociaal domein, milieu en duurzaamheid (energietransitie, afvalverwerking) gewenst. Ook op economie en arbeidsmarkt is er een meerderheid (60 procent) die vindt dat gemeenschappelijke regelingen (zeer) wenselijk worden geacht. Voor financiën, zoals de inning van een belasting, vindt een aanzienlijke minderheid (41 procent) van de raadsleden dat een gemeenschappelijke regeling (zeer) wenselijk is.

Informatie en kennis over gemeenschappelijke regelingen

De kennis en expertise van raadsleden over gemeenschappelijke regelingen is verdeeld: een derde deel heeft voldoende kennis en expertise, een derde deel heeft dat niet. Een derde heeft tijd om zich in de gemeenschappelijke regelingen te verdiepen, een derde deel heeft dat niet. Er is 9 procent van de raadsleden dat niet weet aan hoeveel gemeenschappelijke regelingen de eigen gemeente deelneemt.

Vergelijking met 2013

Wat blijkt bij vergelijking met het landelijke raadsledenonderzoek over regionale samenwerking in 2013 is dat raadsleden in 2017 nagenoeg even ontevreden zijn over hun eigen positie en mogelijkheden tot beïnvloeding van gemeenschappelijke regelingen.

In 2013 beschouwde 68 procent van de raadsleden het toenemend aantal gemeenschappelijke regelingen als een bedreiging voor de lokale democratie. Vier jaar later, en na de invoering van de nieuwe taken in het sociaal domein, is dat percentage gedaald: 57 procent van de raadsleden beschouwt het toenemend aantal gemeenschappelijke regelingen als een bedreiging voor de lokale democratie.

Opvallend is ook dat een vergelijkbare geringe daling zich voordoet op de vraag of “uw gemeente in staat is om met de huidige middelen zelfstandig de haar toegewezen taken uit te voeren (dat wil zeggen zonder samenwerking met andere gemeenten”. Een meerderheid van 56 procent (in 2013: 67 procent) geeft aan dat ze met de huidige middelen niet in staat is om zelfstandig de haar toegewezen taken kan uitvoeren.

Ontevreden over eigen beinvloedingsmogelijkheden

Voor veel raadsleden is en blijft regionale samenwerking iets ongrijpbaars. De resultaten laten geen positiever beeld zien ten opzichte van 2013. Zo geeft 56 % van de raadsleden aan ontevreden te zijn over de eigen mogelijkheden om de besluitvorming rondom regionale samenwerking te beïnvloeden. 32% (2013: 30%) van de raadsleden geeft daarnaast aan onvoldoende kennis en expertise te hebben om hun controlerende taak als raadslid uit te oefenen op de (uitvoering) van gemeenschappelijke regelingen. Ook geeft 36% (2013: 30%) van de raadsleden aan doorgaans geen tijd te hebben om zich te verdiepen in de gemeenschappelijke regeling. Deze uitkomsten geven het beeld dat de democratische legitimiteit van gemeenschappelijke regelingen in toenemende mate in gevaar komt.

Meer informatie

Voor alle informatie over het raadsledenonderzoek “Raad en Regionale Samenwerking 2017” klik hier voor het Eindrapport Regionale Samenwerking landelijk raadsledenonderzoek (pdf). In dit rapport staan zowel de cijfers van 2017 en 2013.